vr. 10 apr 2026

Stijgende inflatie in Europa, hogere producentenprijzen in China en oplopende inflatie in de Verenigde Staten: de inflatie-indicatoren wijzen opvallend eensgezind in dezelfde richting, en dit is nog maar het begin.
Positieve producentenprijzen
Voor het eerst in meer dan drie jaar bevinden de producentenprijzen in China zich opnieuw in positief gebied. Op het eerste gezicht lijkt dat goed nieuws, maar een stijging van de producentenprijzen die voortkomt uit hogere kosten en niet uit een sterkere vraag, zet juist extra druk op de marges van Chinese bedrijven De producentenprijsindex steeg met 0,5% op jaarbasis. Vooral de sector van de winning van non-ferrometalen viel op met een stijging van 36,4% vorige maand, terwijl de sector van het smelten en verwerken van non-ferrometalen een toename van 22,4% liet optekenen.

Wat de inflatie betreft, daalde die in maart met 0,7% op maandbasis. Op jaarbasis ging het inflatiecijfer daarmee van 1,3% naar 1,0%. De kerninflatie, exclusief voeding en brandstoffen, steeg met 1,1 % op jaarbasis, tegenover een stijging van 1,8% in februari.
Die terugval is deels te verklaren door de aanhoudend zwakke binnenlandse vraag, waardoor bedrijven hogere prijzen moeilijk kunnen doorrekenen. Daarbovenop heeft de stijging van de benzineprijs de koopkracht van de huishoudens verder uitgehold.
Renteverhoging in zicht?
In Japan volgde na de stijging van de groothandelsprijzen ook een waarschuwing van de vicegouverneur van de Bank of Japan. Als gevolg daarvan bereikte het rendement op de vijfjarige staatsobligatie deze ochtend een recordniveau. Dat weerspiegelt de toegenomen kans op een renteverhoging tijdens de beleidsvergadering van 27 en 28 april.

Ryozo Himino verklaarde namelijk: “Wij zullen de meest gepaste monetaire beleidsbeslissing nemen om onze inflatiedoelstelling van 2% op een stabiele manier te bereiken, rekening houdend met de omvang en de duur van de schok, en met de economische omstandigheden op dat moment.”
De index van de groothandelsprijzen steeg in maart met 0,8%, tegenover een stijging van 0,1% in februari. Op jaarbasis ging het cijfer daarmee omhoog van 2,1% naar 2,6% De hele regio wordt bijzonder hard getroffen door de stijgende energieprijzen en is sterk afhankelijk van olie en gas uit het Midden-Oosten. Dat heeft de Aziatische Ontwikkelingsbank er al toe aangezet haar groeiverwachtingen neerwaarts bij te stellen en haar inflatieverwachtingen opwaarts te herzien.
Als de vijandelijkheden tot het derde kwartaal van dit jaar aanhouden, zou de regionale groei in 2026 kunnen terugvallen tot 4,7%, tegenover 5,4% vorig jaar. De inflatie zou dan kunnen oplopen tot 5,6%, tegenover 3,0% in 2025, aldus de ADB. De ontwikkelende Azië-Pacificregio omvat 43 economieën, van China en India tot Georgië, maar sluit Australië, Japan, Nieuw-Zeeland, Singapore en Zuid-Korea uit.
Deze ramingen contrasteren met de basisscenario’s van het rapport, die uitgingen van een conflict van slechts één maand en rekenden op een groei van 5,1% in 2026 en een inflatie van 3,6%
Verwachte stijging
Deze namiddag wordt in de Verenigde Staten het inflatiecijfer gemeten via de consumentenprijsindex gepubliceerd. Er bestaat weinig twijfel over dat de prijzen verder zijn gestegen.Er wordt gerekend op de sterkste maandelijkse stijging in bijna vier jaar: 0,9% in maart, na een stijging van 0,3% in februari. Op jaarbasis zou het inflatiecijfer stijgen van 2,4% naar 3,3%, de grootste toename sinds mei 2024. De kerninflatie, exclusief voeding en energie, zou met 0,3% stijgen op maandbasis, tegenover 0,2% eerder. Op jaarbasis zou dat cijfer oplopen van 2,5% naar 2,7% .Die kerninflatie zal naar verwachting nog versnellen in april, omdat de stijging van de olieprijs onvermijdelijk leidt tot hogere vliegtarieven, hogere transportkosten en stijgende prijzen voor meststoffen en plastics, om er maar enkele te noemen.
Ook in Noorwegen wordt een hogere inflatie verwacht. De kernconsumentenprijsindex zou stijgen van 2,7% naar 3,6%, terwijl de onderliggende inflatie zou toenemen van 3,0% naar 3,1%. Die cijfers zullen het strakke standpunt van de Noorse centrale bank versterken en kunnen wijzen op een renteverhoging in de nabije toekomst, wat nu al zichtbaar is in het niveau van de driejarige rente.

Laatste voorbeeld
In Mexico steeg de inflatie van 4,02% in februari naar 4,59% in maart, het hoogste niveau sinds oktober 2024. Dat cijfer komt op een bijzonder ongelukkig moment voor de Mexicaanse centrale bank, omdat het tegelijk werd gepubliceerd met de notulen van de laatste beleidsvergadering. Die vergadering resulteerde nog in een renteverlaging, ondanks een sterk verdeelde raad. De renteverlaging van 0,25%, waarmee de beleidsrente werd verlaagd tot 6,75%, werd slechts goedgekeurd met drie stemmen tegen twee.
Ter rechtvaardiging van die beslissing stelde de raad dat de zwakte van de economie de inflatieschok zou opvangen. Volgens de centrale bank waren “de meeste leden van mening dat de huidige, sterk ontspannen economische omstandigheden in Mexico zouden bijdragen tot het beperken van de impact”. Dat is deels correct, aangezien de kerninflatie daalde tot 4,45%, tegenover 4,50% in februari. Toch zal het comité zich voor de toekomst voorzichtiger moeten opstellen en zal een volgende renteverlaging wellicht niet snel volgen.
De conclusie is dan ook dat de meeste centrale banken twee keer zullen moeten nadenken voor ze de rente verlagen of verhogen, gezien de enorme onzekerheid die zowel weegt op de economische groei als op de inflatie.








